Worminfecties


De periode tussen winter en lente is een belangrijke tijd voor het paard. Het moet zich voorbereiden op warmere perioden. Zijn haarkleed, vertering en stofwisseling ondergaan grote veranderingen. Dit vraagt enorm veel van het paard, waardoor zijn weerstand kan dalen en hem gevoelig maakt voor allerlei parasieten. Deze gevoelige periode is een goede tijd om te ontwormen. Dat geldt trouwens ook voor september/oktober.

Het ontwormen…. Er zijn zo veel meningen hierover en de adviezen van deskundigen zijn vaak ook niet eensluidend. Daardoor raken veel paardeneigenaren in verwarring.
Op de website van immunologie en infectieziekten van de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht staat een beslissingsboom t.a.v. wormbehandelingen (www.parasietenwijzer.nl). Hier worden duidelijke en rationele adviezen gegeven over praktisch ontwormen met chemische middelen en weidemanagement. Wij willen met dit artikel echter nog een aantal elementen toevoegen, te weten de mogelijkheid om met natuurlijke middelen te werken , de manieren om de weerstand tegen de worm te verhogen en de wormdruk van het terrein te verminderen.

Inwendige parasieten zoals de rondworm en lintworm komen bij alle diersoorten voor, inclusief de mens. Gedurende de evolutie hebben deze ‘parasieten’ zich gespecialiseerd in het verblijven in andermans lichaam. Soms worden hier grote trektochten gehouden. Vooral de onvolwassen stadia (larven) zijn op dit gebied actief. De volwassen stadia verblijven in de darm, paren ook hier en de vrouwtjes brengen eitjes voort. Deze komen via de mest op de grond terecht. Deze eitjes hebben een aantal dagen nodig om te ‘rijpen’, d.w.z. om infectieus te worden. Soms wordt er gebruikt gemaakt van ‘tussengastheren’. Voor de paardenlintworm is dat de mosmijt, die veel op vervilte graslanden voorkomt. En voor de leverbot is dat de leverbotslak die vaak op drassige terreinen vertoeft. Deze tussengastheren worden dan inclusief de wormlarven opgegeten, waarna de cyclus in de eindgastheer (het paard) begint.

De term parasiet is misschien niet helemaal juist. De worm wil de gastheer niet verzwakken of doden; hij is namelijk afhankelijk van hem, dus hij is gebaat bij vreedzame samenleven. Paard en worm zijn ook evolutionaire maatjes. Miljoenen jaren hebben ze samen overleefd en elkaar gerespecteerd. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de worm wel eens gunstig zou kunnen zijn voor een evenwichtige ontwikkeling van de afweer. Wormen worden nu bij de mens met succes ingezet bij constitutioneel eczeem en ziekte van Crohn.

Elk paard heeft wormen, ook het wilde of verwilderde paard. Onderzoek in de Blauwe Kamer bij Koniks liet zien dat alle wormsoorten vertegenwoordigd waren. Maar bij het wilde paard leidt de worm bijna nooit tot problemen. Met andere woorden: er is wel een worm aanwezig, maar geen wormziekte. Behalve bij verzwakking door andere redenen kan de worm echte schade aanrichten.
Een kanttekening hierbij: hoewel de Koniks de status hebben als ‘wild’ paard is enige kritiek hierop wel op zijn plaats. Ook in de Oostvaarderse plassen zijn de Koniks niet echt ‘wild’. Natuurlijke vijanden ontbreken, er is sprake van overbezetting en er staan overal hekken en heiningen. Afgelopen winter heeft dat tot de hongerdood van 1/3 van de planteneters geleid (meer dan duizend dieren). Zoals Ghandi zei: de mate van beschaving is af te lezen aan de manier waarop de mens met dieren omgaat.  

In het wild heeft het paard veel meer ruimte. Dus hij kan plekken waar hij pas gemest heeft vermijden. Toch keert hij vrij vlug weer terug naar die plaats om te grazen. Dus er is wel degelijk sprake van wormbesmetting. Maar hoe komt het dat hij zelden ziek wordt?
In beginsel heeft hij veel mogelijkheden om selectief wormdrijvende kruiden zoals boerenwormkruid en bijvoet te kiezen. Bomen, struiken en een groot scala aan kleinere planten en grassen zorgen voor een rijk en gevarieerd menu. Ook zijn er in de natuur andere grazers actief, zoals herten en runderen, die als stofzuigers de paardenparasieten oppeuzelen. Hier praten we dus over de aanwezigheid van positieve factoren. Maar deze weerstand is volgens ons ook een gevolg van de afwezigheid van verzwakkende factoren zoals: inteelt, vroeg spenen, eenzame opsluiting, te weinig ruwvoer en teveel krachtvoer, transport, overvaccineren, intensief chemisch ontwormen, geneesmiddelen etc.
Het intensief chemisch ontwormen vanaf veulenleeftijd, bijvoorbeeld, blokkeert de natuurlijke weerstandsopbouw, waardoor hij op latere leeftijd gevoeliger wordt voor wormziekte.

Wormen kunnen nooit uitroeien worden. De samenleving tussen paarden en wormen moet balans hebben. Zorgen dat het paard sterk en gezond wordt, zodat de worm er wel in kan wonen, maar geen schade doet. Enerzijds moeten we de ‘wormdruk’ in de leefomgeving verminderen en anderzijds het paard weerstand geven. Afhankelijk van de leefomgeving, zullen de adviezen over ontworming en weidemanagement variëren. Om hierover zinvol te kunnen schrijven moeten wij een uitgangssituatie kiezen. We hebben gekozen voor een situatie, die wij vaak in onze praktijk zien: paarden die buiten gehouden worden, met schuilgelegenheid en een bezetting van ongeveer 1 paard per 2500 m² weide. Er is meer dan 1 paard aanwezig en er wordt af en toe een buitenrit gemaakt. Factoren die een rol spelen zijn leefomstandigheden en infectiedruk, voeding, stress, wormonderzoekmethoden en keuze voor ontworming en ontwormings middelen.

Allereerst kijken we naar de leefomstandigheden. Weidegang gedurende het gehele jaar heeft een onmiskenbaar gunstige invloed op de weerstand van paarden. Het weiland moet een gevarieerd gras – en kruidenbestand hebben. De wilg is erg geliefd als knaagobject. Als perceelafscheiding is een meidoornhaag bijvoorbeeld geschikt. Deze geven het paard nog extra toevoegingen voor zijn gezondheid. Een ‘hoog en droog’ plekje, dus een verharde ‘hang en eetplaats’ mag ook niet vergeten worden in de gedachten over de optimale weidegang.

Het begrip EBO (Effectieve Begrazings Oppervlakte) is de mate waarin een weide daadwerkelijk begraasd wordt. Hoewel wij één ha weiland laten begrazen door 4 paarden, is het verbazingwekkend hoe snel de oppervlakte die begraasd wordt, binnen één seizoen met wel 75% verminderd. Eén ha wordt dus snel gereduceerd tot een ‘trapveldje’ waar ze continue staan te grazen. Dit komt o.a. door de zogenaamde “grasbanen”. Het zijn gras stroken die niet begraasd worden omdat paarden er gemest hebben. Zolang dat plekje ‘negatieve informatie’ bevat, die vaak met de worm te maken heeft, willen paarden dus niet op die plek grazen.
Maar waarom eten wilde paarden eerder hun grasbaan? Het antwoord ligt bij zonlicht, vorst en zodecompostering en een open grasbestand, die gemakkelijk zonlicht toelaat. Dit zijn belangrijke factoren die de natuur biedt, waardoor wormeieren afsterven, zodat de negatieve informatie weggaat. Overwoekering met onaantrekkelijke planten zoals ridderzuring, brandnetel kan het EBO ook aanzienlijk reduceren. Kortom, het EBO zo groot mogelijk te houden en een tijdige aanpak van de grasbanen is belangrijk om de wormbesmetting te onderdrukken.

Adviezen:

N.B. Bovenstaande maatregelen (terug brengen van natuurlijke elementen) kunnen in aanmerking komen voor aanzienlijke subsidies (PSN en PSAN regeling).

Als bovengenoemd weidebeheer niet gerealiseerd kan worden, is het niet aan te bevelen om jonge paarden op een perceel te laten weiden, waar het vorig jaar ook jonge paarden hebben gelopen i.v.m. een te hoge weidebesmetting met spoelwormeieren. De paardenspoelworm (Parascaris Equorum) wordt in een rap tempo resistent tegen wormmiddelen uit de groep van de ivermectine’s. 

Voeding is de tweede belangrijke factor. Het merendeel van de paarden in Nederland krijgt te weinig ruwvoer en te veel krachtvoer. Het paard heeft voldoende ruwvoer van goede kwaliteit nodig (2 kg/ 100 kg LG per dag) voor zijn dikke darm fermentatie. Krachtvoer is meestal niet nodig als het paard alleen voor recreatie wordt gebruikt (elke dag ongeveer een uur rijden). Bronnen in de V.S. vermelden dat teveel krachtvoer in relatie tot ruwvoer het paard extra bevattelijk maakt voor wormziekte. Het heeft wellicht te maken met het feit dat veel krachtvoeders teveel calcium en ijzer bevatten, waardoor er een opname probleem optreedt t.a.v. magnesium en koper. Een opname gebrek van organisch magnesium en koper staat in directe relatie met het vermogen van een paard om parasieten ‘te verdragen’. Bovendien bevatten meeste krachtvoeders levertoxische chemische stoffen zoals BHA en BHT, ook sommige zogenaamde ‘natuurmuesli’s’. Een en ander is terug te vinden op het label van een zak voer.

Adviezen:
Gebalanceerde opname van organische mineralen, sporenelementen en vitaminen is zeer belangrijk voor het paard. Deze moeten uit het ruwvoer komen. Maar omdat Nederlands gras en ruwvoer deze elementen vaak onvoldoende (of ongebalanceerd) bevatten, is het aan te bevelen om extra kruidenpreparaten, spirulina e.d. te gebruiken. Wormdrijvende kruiden passen ook goed in deze aanpak.

Water kan veel calcium (leidingwater) of ijzer (bronwater) bevatten. Een kritisch onderzoek van drinkwaterkwaliteit is dan ook essentieel. Altijd drinkwater van goede kwaliteit ter beschikking stellen. Dwing de paarden niet uit vervuilde modderpoelen te drinken. Deze wemelen vaak van de parasieten.

Diverse studies tonen aan dat stress samen gaat met een ongunstige verandering van de maag/darm flora, waardoor het paard zijn weerstand verliest tegen de aanwezigheid van wormen. Hierdoor kan hij wormziekte oplopen en/of wormeieren gaan uitscheiden die een hoge wormbesmetting veroorzaakt. Bewust omgaan met stress van het paard is dus ook belangrijk voor wormmanagement. Stress kan allerlei oorzaken hebben: transport, overdreven prestatiedruk, onjuist bitgebruik, niet passende zadels en onkundige ruiters, ondeugdelijke zware bodems, boxhuisvesting, isolatie, etc…………….

Adviezen vóór, tijden en na stress:

De vraag dringt zich op wanneer gedacht moet worden aan wormbestrijding.
Voordat men beslist om chemisch te ontwormen, is het zinvol om eerst een mestonderzoek te laten verrichten. Omdat een chemische ontworming het paard belast (zie 5) en ook omdat de wormen de kans krijgen om resistentie te ontwikkelen. Hoe meer wormen in aanraking komen met een chemisch middel hoe groter de kans is op massale ontwikkeling van resistentie. Het is belangrijk om de populatie wormen zo min mogelijk met chemische middelen in aanraking te laten komen. Dit wordt met een moeilijk woord het vormen van een refugium genoemd.

Via mestonderzoek op wormeieren kan het EPG (eieren per gram) bepaald worden. Paarden die een hoog EPG (meer dan 200) hebben, worden uitscheiders genoemd. Deze groep moet (natuurlijk/chemisch) ontwormd worden. Paarden die geen of weinig eieren uitscheiden, hebben geen chemisch ontwormingsmiddel nodig, maar bij twijfel kunnen wel natuurlijke middelen gebruikt worden.
Studies in de UK hebben laten zien dat meer dan 80% van de paarden chemisch ontwormd wordt op een moment dat er geen eiuitscheiding plaats vindt. Zij worden dus onnodig ontworm wat dan wel met de nodige negatieve gevolgen voor het paard en omgeving.

September en maart zijn goede tijden om mestonderzoek te laten verrichten voor alle paarden.
Maar onderstaande paarden hebben vaker onderzoek nodig (4x maal per jaar). Het gaat om paarden die vaak getransporteerd worden, veulens, jaarlingen en twenters, paarden die laag in rangorde staan en paarden die in slechte conditie zijn.

Een goede manier om een mestmonster te nemen is door mest te verzamelen die dezelfde dag geproduceerd is en geen aanraking met de bodem heeft gehad. Doe dit gedurende drie achtereenvolgende dagen en meng deze drie monsters goed door elkaar.

Adviezen:
Zelfs de risicopaarden en ei-uitscheiders hoeven niet per se chemisch ontwormd te worden. Onze ervaring leert dat het vrij veilig is om hiervoor kruidenpreparaten en probiotica te gebruiken, mits regelmatig mestonderzoek wordt gedaan. Voor het preventief gebruik van kruidenpreparaten is het ook raadzaam om regelmatig te kijken of de uitscheiding van wormeieren niet te groot wordt. Er zijn altijd meerdere keuzes en toepassingen. Bekijk de situatie kritisch en stem de maatregelen daarop af.

Er zijn veel ontwormingsmiddelen, waarvan de chemische ontwormingsmiddelen het meeste worden gebruikt. Er zijn grofweg drie groepen van middelen, die elk hun eigenschappen hebben. Voor de toepassing verwijzen wij u naar de informatie die de FIDIN hierover heeft, of wederom op www.parasietenwijzer.nl.
Wij willen zo veel mogelijk natuurlijk middelen gebruiken, maar in de volgende situaties is het sterk aan te raden om chemisch te ontwormen, namelijk als er sprake is van een slechte conditie en uit mestonderzoek en aanvullend bloedonderzoek blijkt dat hier een worminfectie de schuld van is, en als de rode bloedworm in de mest zichtbaar is (hiervoor Moxidectine gebruiken)

Bij het toepassen van chemische wormmiddelen moet men wel beseffen dat er nadelen zijn. Zoals verstoring van de maag/darm flora , extra belasting van de leve r, meer kans op allergieën, afhankelijkheid van chemische middelen en kans op darmscheuren bij ernstige spoelworminfecties . Een paard heeft een kleine lever en daardoor een beperkt vermogen om te ontgiften. Sommige middelen kunnen acuut toxisch zijn bij onjuiste toepassing . Er kan ongevoeligheid van de worm voor chemische middelen optreden, waardoor steeds sneller weer wormen aanwezig zijn in het lichaam.

Intensief ontwormen op jonge leeftijd (zoals vaak voorgeschreven) heeft een zeer nadelig effect voor de ontwikkeling van een goede weerstand op oudere leeftijd. Door intensief ontwormen worden volwassen paarden afhankelijk gemaakt van chemische ontwormings - strategieën, die overigens steeds minder effectief blijken te zijn. Veel chemische preparaten zijn enkel actief tegen de volwassen stadia die in de darm verblijven. Door de darm op te schonen gaan de jonge stadia versneld de holte van de darm herbevolken. Deze kunstmatige opwekking van trektochten van larven kan darmen en bloedvaten beschadigen. Overigens is het intensief ontwormen niet alleen schadelijk voor het paard. Sommige stoffen blijven nog actief, ook al hebben ze het paard weer verlaten. Vooral bij sombere dagen moet men uitkijken voor de negatieve effecten op bodemleven (wormen, insecten, waterdieren en dieren die paardenmest eten). Behalve mestkevers en dassen, kunnen honden zich overmatig tegoed doen aan paardenvijgen. Vooral collie-achtigen zijn uiterst gevoelig voor restanten ivermectinen.

Adviezen:
Samen met chemische middelen ook probiotica geven (één dag voor, tijdens en één dag na de toepassing van chemie). Ook is het zinvol tegelijkertijd wormdrijvende kruiden te geven, omdat deze ook een detox effect hebben.

Er zijn ook goede natuurlijke middelen. Het merendeel van de kruiden die hiervoor gebruikt kunnen worden doden de wormen niet, maar maken de gastheer (i.c. het paard) onaantrekkelijker voor de worm. Als de worm in een ongunstige omgeving leeft, wordt er niet gepaard en dus ook geen eieren geproduceerd. Ook de jonge wormen groeien niet of minder. Met andere woorden: de ontwikkelingscyclus van de worm wordt tegengewerkt tot een onschadelijk niveau, terwijl de worm wel aanwezig is.

De volgende middelen worden door ons gebruikt. De doseringen zijn gebaseerd op een paard van 500 kg.

 · Wormbalans
Inhoud: anijs, venkel, zoethoutwortel, brandnetel, mariadistel, berkenblad, guldenroede, duizendblad, eswortel, johanneskruid, cichorei, rozemarijn, Europese mintsoorten, frambozenblad, citroenkruid
Toepassing: 20 gram per dag, gedurende 10 dagen per maand  

· Verm-x
Inhoud: knoflook, kaneel, pepermuntblad, tijm, kleefkruid.
Toepassing: vloeibaar, 25 ml per dag, 3 dagen per maand
(Er zijn ook poeders beschikbaar)

· Digenea Simplex
Dit is een zeewier uit Japan en het heeft wél wormdrijvende eigenschappen. Als een spoelworm in aanraking wordt gebracht met Digenea gaat deze in een acuut coma. Hij kan zich niet meer vasthouden en verlaat het lichaam aan de achterkant. Een goede darmpassage is van belang, dus eventueel zemelen erbij geven.  Geschikt voor de groepen ‘risicopaarden’ of ‘uitscheider’.
Toepassing: 10 gram per dag, gedurende 10 dagen per maand  

· Kieselgur of Diatomeeënaarde
Dit zijn fossiele siliciumskeletjes met scherpe stekeltjes, die de wand van de worm lekprikken. (Let op: de Kieselgur niet inademen, Kieselgur en het liefst met vochtig gemaakte voeding mengen). Over de effectiviteit wordt getwist, maar gezien de andere positieve eigenschappen van dit preparaat (versterking botweefsel) heeft het wel degelijk een plaats. Uitwendig kan het ook gebruikt worden bij ectoparasieten als luizen, vlooien e.d. Geschikt voor de groepen ‘risicopaarden’ of ‘uitscheider.
Toepassing: 2 x 30 gram per dag, gedurende 1 maand, 4x per jaar.

· Knoflook
1 teentje/100 kg en niet langer dan 3 weken achter elkaar i.v.m. het gevaar voor bloedafbraak. Om ook een vliegenwerend effect te krijgen moet al vroeg in het voorjaar gestart te worden. Sommige paarden hebben een probleem met de smaak.

Adviezen:  
Om een goede indruk van de werking van natuurlijke preparaten te krijgen, wordt geadviseerd het wormei onderzoek pas na 21 dagen te verrichten, ondanks het feit dat deze preparaten ook direct werken. Er zijn natuurlijk nog meer kruiden of preparaten die gebruikt kunnen worden zoals pompoenzaad, wortel, zemelen, noni, etc, maar hier hebben wij geen ervaring mee. Niet bewezen, maar misschien toch waar en het kan geen kwaad: ontworm bij volle maan.

Belangrijk is dat wij een balans moeten vinden tussen het paard, de worm en de middelen. Zolang onze paarden een goede conditie hebben, een normale eetlust, actief zijn en gezonde ontlasting produceren, kunnen wij min of meer bedenken dat de samenleving tussen het paard en wormen ook goed verloopt. Mestonderzoek (minimaal 2x per jaar) is een belangrijk instrument ter controle van de wormstatus. Varkenspest is geen probleem voor het wilde zwijn en vogelpest is geen probleem voor de wilde zwaan. Het verhaal van de worm en het paard staat dus niet op zichzelf, maar heeft verbinding met alle dieren die onderworpen zijn aan de geselen van de domesticatie.